Wat zeg je als iemand dood is?

Waar volwassenen vaak zoeken naar een goede manier om over de dood te praten met een kind, pakken kinderen dat heel anders aan. Die zeggen precies dat wat ze denken en willen weten.

Het is 3 uur en ik bereid me voor op mijn volgende gesprek. Het jongetje komt dit keer alleen. Vorige keer was het gesprek samen met zijn moeder, maar we hebben afgesproken dat hij nu gebracht en gehaald wordt en we samen aan de slag gaan. 

Eén van de dingen die ik altijd vraag is hoe het vandaag gaat. Geen generieke vraag over hoe het gaat, want het gaat nou eenmaal niet goed als je net je vader verloren bent. Maar de vraag hoe het vandaag gaat en of het een goede of slechte dag is, is beter. Dan respecteer je de situatie en nodig je een kind gelijk uit om te vertellen hoe het nu met hem gaat.

Eigenlijk zie en voel ik het al als hij binnenkomt, maar ik moedig hem voorzichtig aan om zich te uiten. Het gaat kut. Zijn woorden. Niemand begrijpt hoe hij zich voelt. En hij vraagt zich af waarom iedereen er toch omheen praat. Alsof niemand weet dat zijn vader dood is, maar iedereen weet dat. Dat ziet hij aan de manier waarop volwassen naar hem kijken. Alleen sommige kinderen beginnen er over en dat vindt hij fijn. 

Mijn eigen gedachten gaan alle kanten op. Want deze jongen van 8 jaar weet precies de vinger op de zere plek te leggen. Volwassenen vinden het lastig om over de dood te praten. Lastiger dan kinderen. Veel lastiger. We omkleden het, bagatelliseren emoties en proberen eigen verdriet, woede en angst te verhullen. Waarom eigenlijk? Alsof dat de situatie beter maakt? In tegendeel juist. En toch doen we het. We ontlopen liever een confronterende situatie dan hem aan te gaan. En dit jongetje is daar klaar mee. Terecht ook. Ik voel met hem mee. In mijn werk praat ik vaak over de dood, dus het onderwerp is voor mij niet onbekend. Maar in een privé situatie vind ik het ook lastiger. Omdat je degene die in rouw is wilt beschermen. En dat is nou precies wat niet kan. 

Ik vraag hem wat hij fijn vindt om dit uur samen met mij te doen. Of er dingen zijn die hij graag hardop wil uitspreken maar dat tot nu toe niet gedaan heeft of misschien zelfs niet durft. En dan kijkt hij op. Ik voel dat ik de juiste snaar raak. Langzaam begint hij dat er wel wat dingen zijn. Van binnen juich ik hem toe. Kom maar op zeg ik tegen hem. Als jij ze aan me vertelt, schrijf ik ze op en doen we ze aan het einde van het uur in een doosje. Dat doosje mag je meenemen naar huis. Voor als je deze gedachten op een later moment nog eens terug wilt lezen. 

Hij begint wat onwennig, maar na een paar minuten komt er van alles. Alles wat hij stom vindt, waar hij boos over is, wat andere mensen niet begrijpen, wat hij niet begrijpt. En ik luister. Ik schrijf. Ik knik en ik verzamel de briefjes op een stapeltje. Ineens is hij klaar. Oké top, dan mag jij ze in het doosje doen zeg ik. Hij vraagt me of ik niet nog wat ga zeggen over wat hij allemaal verteld heeft. Juist niet. Dit zijn zijn gedachtes en frustraties, die staan los van mij. Bij mij mag alles er zijn, zonder oordeel. Dat is precies waar mijn werk over gaat. 

De tijd zit er bijna op, zijn moeder komt hem ophalen. Ik vraag hem hoe hij zich nu voelt. Hij zegt opgelucht. Ik zie het ook aan hem. Alsof er een (deel van de) last van zijn schouders gevallen is. Ik realiseer me wat een mooi beroep ik heb. Soms is luisteren al voldoende om een verschil te maken. 

Tags :
Rouw

Related Post

Leave a Reply

Your email address will not be published.